Doorheen de wolken schemert
de zon in haar spiegelbeeld.
De reflectie van haar ziel op het water.
Terwijl het zand nog ruikt
naar de afgelopen dag,
hondenpootjes, kinderhandjes.
De dag is druk in de weer geweest,
het verzetten van stappen,
het slepen van gedachten.
De wegen van het water
zijn gewijzigd met daarnet
De dieren van de nacht ontpoppen zich,
openen hun ogen.
Ze bewandelen de stappen van de dag,
ze slepen zich niet voort,
daarvoor zijn ze te onbezorgd.
Dat is wat hen zo weerbaar maakt.
Dat is wat ons zo klein maakt.
Wie zijn wij om met ons gesleep
hun opgebouwd leven zomaar te vernietigen.
Wie zijn wij om ons zo meester te voelen
over al wat regeert.
Konden wij ooit maar
een reflectie bevatten, omvatten.
Konden wij ooit maar
zien wat wij bij onszelf en anderen teweegbrengen.
Konden wij ooit maar
onze gedachten op het water laten varen,
en onbezorgd verder leven.
We zijn veel te klein in deze natuur.
Langzaamaan sluiten de wolken de ziel af van haar spiegelbeeld,
en bedekt de donkere laag de wereld,
om zo morgen van voor af aan
opnieuw alles te laten ontstaan.
